Visit Homepage
Skip to content

Tag: goede bedoelingen rebooted

Leugens en verderf op de eerste verdieping en ver daarbuiten

Sus Lomens, PMS-medewerker, was eens te meer een schaamteloze leugenaar. Dát en al zijn andere fantastische kwaliteiten.

Mijn derde middelbaar herinner ik me als een kolkend, stinkend vat van ellende en chaos.

Er waren pillen. Op doktersvoorschrift. Steeds andere en altijd maar meer: Xanax, Librax, Victan, Loramet en Prozac. O ja, en ook nog een soort vitaminen; de naam ervan ontglipt me, maar het waren donkerbruine capsules met rode en groene cirkels op hun verpakking.

Bepaalde gebeurtenissen heb ik verdrongen, ben ik bewust vergeten uit zelfbehoud, aldus de neuropsychiater bij wie ik later in therapie zou gaan. Elke dag was een slopend, oneerlijk gevecht, met als grootste verliezer altijd ikzelf.

Maar Lomens dus…

In het verslag dat een paar jaar later aan mijn ouders zou overgemaakt worden, vermeldde hij enerzijds faalangst (?!) en anderzijds dat ik zelf over het PMS zou begonnen zijn. Ik had op eigen houtje psychologische begeleiding gezocht, beweerde hij.

Niet dus. Absoluut niet. In geen honderd jaar.

Op een dag was ik — niet voor de eerste keer, trouwens — wel naar de directrice gestapt in de hoop dat er toch eens eindelijk een einde zou komen aan de pesterijen.

Elke schooldag kreeg ik spot en scheldtirades over mij heen. Dreigementen ook. Men zou mij wel klein krijgen. Ook mijn kat zou het moeten ontgelden. “Haar nek draaien we nog wel eens om,” riep een klasgenoot me toe. Zijn vrienden applaudisseerden goedkeurend.

Mijn huistaken verdwenen. Schriften werden besmeurd, leerboeken vernield. En uiteraard mocht ik ook regelmatig dat fijne liedje horen, over hoe de wereld toch zo goed zou zijn zonder mij.

‘s Avonds thuis, waren er dan de telefoontjes. Doodse stilte en ‘klik’. Tot tien keer na mekaar. Tot ik uiteindelijk bang werd om nog oproepen te beantwoorden.

Dus ik ging met zuster Tildemans praten in de hoop dat er iets ondernomen zou worden.

Ijdele hoop, zo bleek algauw.

Mijn kwelduivels konden hun hatelijke activiteiten ongestoord verderzetten.

Ik, daarentegen, werd op een namiddag begin januari door diezelfde zuster met veel vertoon uit de godsdienstles gehaald. Glunderend verkondigde ze dat ik onmiddellijk met het PMS moest gaan praten.

De hele klas keek geboeid toe hoe ik schoorvoetend opstond. Marlien, Trees en Sien deden geen moeite om hun hoongelach te onderdrukken. Zij hadden weer gewonnen. Dat deden ze altijd.

De godsdienstleerkracht stond erbij en keek de andere kant uit.

In Lomens’ verslag konden we lezen dat er dat schooljaar zeven gesprekken plaatsvonden met mij.

Volgens mijn dagboek waren het er aanzienlijk meer. Elke dinsdagnamiddag gedurende meerdere maanden werd ik op dat kleine kantoortje ontboden.

Begrip vond ik daar niet, laat staan empathie of advies waar ik iets aan zou kunnen gehad hebben.

Verwijten hoorde ik des te meer.

Lomens beschikte blijkbaar al over een lijvig rapport, nota’s van Tildemans waarin uit de doeken werd gedaan wat voor een onmogelijk probleemkind ik volgens haar wel was.

Ik was te meegaand, veel te braaf en beleefd. Maar tegelijkertijd ook asociaal, arrogant en eigenwijs. Ik deed nooit wat van mij verwacht werd maar nam mijn schoolwerk toch veel te ernstig en wou bij iedereen op een goed blaadje staan. Ik keek neer op iedereen maar moest vooral meer zelfvertrouwen krijgen en assertiever worden.

Bent u nog mee, beste lezer?

Ik kon althans niet meer volgen.

En over die faalangst die in Lomens’ verslag aan mijn ouders vermeld wordt is nooit met een woord gerept. Ze was dan ook een verzinsel geweest. Ik vreesde voor mijn veiligheid, misschien zelfs voor mijn leven; van cijfers of toekomstplannen lag ik niet wakker. Had ik eigenlijk überhaupt nog wel een toekomst onder die omstandigheden?

Lomens wist me trouwens wel te vertellen dat ik een grote last was voor mijn ouders. Zij hadden al genoeg zorgen in hun dagelijks leven en waren de extra problemen die ik veroorzaakte hartsgrondig beu. Ik zou er goed aan doen eens wat normaler te worden.

Ook Tildemans verweet me dat ik thuis ging klikken. Ik was te oud om steeds bij mama en papa te gaan huilen en als mijn medeleerlingen me niet konden luchten hadden ze daar ongetwijfeld een goede reden voor. Later, zo voegde ze er bits aan toe, als al mijn interpersoonlijke relaties zouden mislukken, zou ik wel inzien dat ze gelijk had.

Mijn schaamte en schuldgevoelens namen met de dag toe. Als Tildemans me op zekere dag vertelde dat ik, onder meer, een waardeloze persoon was, dacht ik er niet aan om daar nog maar even aan te twijfelen. Ik was overbodig — ongewenst — dat stond buiten kijf.

Thuis, ondertussen, zei ik steeds minder.

Wanneer mijn ouders me vroegen hoe het op school ging, verzon ik anecdotes over vrienden die helemaal mijn vrienden niet waren. In het derde jaar had ik geen vrienden meer, tenzij op papier. In de ‘echte’ wereld had iedereen zich tegen mij gekeerd.

Alleen de huilbuien op dinsdagavond, het directe gevolg van weer een fijn, constructief, gesprek met Lomens kon ik niet verstoppen. Dus daarover moest ik wel de waarheid vertellen, hoewel Tildemans me uitdrukkelijk verboden had mijn ouders in te lichten over mijn ‘therapie’ bij het PMS.

Ook in mijn derde middelbaar ging mijn fysieke gezondheid verder achteruit.

Mijn luchtwegen bleven me parten spelen.

Er waren plots ook darminfecties, waarvan het tot op heden niet duidelijk is of dat werkelijk infecties waren dan wel PDS of symptomen van toen nog niet gediagnosticeerde voedselintoleranties. Later zou ook blijken dat ik coeliakie heb.

Ik heb toen even overwogen om hulp — betere onderzoeken — te vragen, maar mijn toenmalige huisarts klasseerde mijn klachten zonder meer onder de noemer ‘psychosomatisch’ en daarmee was de kous voor hem af. Ik moest maar een goed lief zoeken, “eens goed seksen (sic)”, dan zou ik wat vrolijker zijn, zo luidde het.

Eerlijk- en volledigheidshalve moet ik hier ook wel bijvertellen dat ik nooit erg heb aangedrongen bij hem wat die extra onderzoeken betrof. Ik walgde — gruwelde — intussen van die man. Ik wou me voor hem niet uitkleden en werd panisch bij de gedachte dat hij mijn blote buik zou aanraken.

Dus leerde ik maar leven met de pijn.

Alsook onderging ik gelaten de bijwerkingen van de vele pillen die me waren opgedrongen: concentratiestoornissen (nog ergere dan het jaar voorheen), slapeloosheid, evenwichtsstoornissen die me bijna van mijn fiets deden vallen en soms zelfs bizarre hallucinaties bovenop mijn slapeloosheid. Ooit lag ik om vier uur ‘s morgens nog wakker en meende slangen over mijn plafond te zien glijden.

Over dat laatste durfde ik trouwens tegen niemand iets te zeggen. Meer en meer bekroop mij het akelige gevoel dat men mij wou opsluiten of op een andere manier laten verdwijnen.

Zonder mij was de wereld immers goed, niet waar?

Ondertussen probeerde ik te studeren en toch redelijke cijfers te behalen ondanks het verdriet, de angst, de kapotte concentratie en uiteraard ook de vele verdwenen huistaken die me telkens weer een nul opleverden.

Lezen en schrijven deed ik ook veel. Schrijven was nog steeds een beetje mijn ontsnappingsroute, het enige moment waarop ik mijn sterk voelde. Al mocht dat ook niet altijd zou zijn.

Bij het begin van het derde jaar gaf de leerkracht Nederlands ons de opdracht een origineel vakantieverhaal neer te pennen.

Geïnspireerd door het gelijknamige Kate Bush nummer, schreef ik Houdini.

Vermoedelijk had ik dat beter niet gedaan.

Eerst beschuldigde de leerkracht me ervan dat mijn verhaal onmogelijk van mijn eigen hand kon zijn. Nadat ik me met klem — én met gniffelende medeleerlingen op de achtergrond — had verdedigd, vroeg ze me om het dan maar voor te lezen voor de klas.

Dat kon natuurlijk nooit goed aflopen.

Bij de eerste zin begonnen mijn klasgenoten al luid en nadrukkelijk te lachen en ik denk dat ik het een paragraaf of twee heb volgehouden voor ik ter plekke ben ingestort en huilend weer naar mijn plaats gegaan.

Ook hier werd niet ingegrepen en al helemaal niemand gestraft.

Om mijn zinnen te verzetten, namen mijn ouders me dat schooljaar ook tijdens de herfstvakantie en het krokusverlof mee op reis.

De bestemming was zoals altijd Engeland; twee verblijven in Rochester (Kent) dit keer.

Die vakanties had ik dringend nodig.

Natuurlijk waren het maar korte adempauzes en zou ik uiteindelijk onvermijdelijk weer naar die schoolhel moeten terugkeren, maar in Rochester had ik toch even rust. Daar waren de mensen vriendelijk. Daar werd ik niet gepest, geïntimideerd, afgedreigd of uitgelachen. Daar belde niemand mij op. Kortom: daar mocht ik onbevreesd mezelf zijn.

Mijn derde middelbaar eindige met een herexamen wiskunde, maar ook met een sprankeltje hoop.

Om één of andere organisatorische reden werden alle ouders voor de start van het vierde jaar opnieuw om hun toestemming gevraagd voor PMS-begeleiding.

Mijn ouders hebben die toestemming categoriek geweigerd. Sus Lomens zou dus uit mijn leven verdwijnen.

Maar helaas, zijn kwaad was al geschied en ondertussen lagen er ook alweer nieuwe agressors op de loer…

*

Nota Bene: Alle namen van de betrokken partijen zijn veranderd om de onschuldigen, helaas ook de schuldigen, maar vooral mezelf te beschermen. Enige overeenkomst tussen mijn toenmalige agressors en mensen met een naam die hier vermeld wordt is louter toevallig en geen weerspiegeling van de realiteit.

Pestkoppen, Pillendraaiers en Praatjesmakers

Waar ik in de zomervakantie die het zesde leerjaar vooraf ging een arm brak, viel ik tijdens de tweede Ludlow reis ten prooi aan een zware luchtwegeninfectie die al snel een heftige bronchitis zou worden.

Zware medicijnen en drie weken platte rust drongen zich op.

Hierdoor vond mijn eerste schooldag een week later plaats dan die van mijn klasgenoten.

Dat was geen goede zaak.

Ik werd in een bestaande en toch al vrij hechte groep gegooid. Door mijn bleke gelaatskleur — nóg bleker dan gebruikelijk wegens pas zwaar ziek geweest — en het feit dat ik nog niet aan turn- of zwemlessen mocht deelnemen (zware fysieke inspanningen konden immers fikse hoestbuien uitlokken en ik was ook nog veel te slap, tenslotte was ik net nipt aan een longontsteking ontsnapt), viel ik meteen op, en niet in positieve zin.

Al snel was ik het mikpunt van spot.

Een voormalige vriendin uit het zesde leerjaar had het op mij gemunt en ik kwam ook voor het eerst in aanraking met de drie meisjes die tot het bittere einde van mijn schooldagen mijn grootste kwelduivels tussen mijn leeftijdgenoten zouden worden: Marlien De Meyter, Sien Verelst en Trees Bourgeois. Ze leken mij tot in het diepst van mijn wezen te haten en lieten geen enkele gelegenheid ongemoeid om mij dat duchtig te laten voelen.

Het waren ook deze charmante dames die me regelmatig luidkeels toezongen dat zonder mij de wereld goed zou zijn. Meermaals deden ze dit trouwens in het bijzin van leerkrachten, maar niemand vond het ooit nodig om in te grijpen, en al helemaal niet om hen te straffen.

Maar laat ik niet op de feiten vooruit lopen.

Een kleine week hield ik mij kranig. Dan stortte ik dat jaar voor de eerste keer in.

De gekende huisarts werd erbij geroepen. Begrip kreeg ik niet. Hulp evenmin. Pillen des te meer. Xanax om te beginnen. Loramet volgde. Meteen een volwassenendosis, zo luidde het, want ‘dat kind was niet normaal meer’.

Tijdens het eerste trimester was ik vaak afwezig wegens ziekte. Twee keer had ik een stevige griep te pakken, één keer een zware verkoudheid en dan waren er ook nog twee luchtwegeninfecties. Geen geringe prestatie voor een periode van slechts drie maanden!

Ook op gezondere dagen voelde ik me niet al te denderend. Ik had dikwijls te kampen met hoofd- en buikpijn. Vreselijke angstdromen teisterden me elke nacht. En bovenal was ik diep bedroefd en moe, zo verschrikkelijk moe…

Suf van de pillen ook. Die zouden de angst wegnemen volgens mijn toenmalige huisarts.

Dat deden ze echter niet. Daarentegen tastten ze wel mijn concentratievermogen aan. Opletten in de klas — wat sowieso al niet evident was te midden van toegesiste scheldwoorden en proppen papier die me naar het hoofd geslingerd werden wanneer de leerkracht even wegkeek — werd steeds moeilijker. Studeren idem. Al gauw waren mijn cijfers in vrije val.

Een paar jaar later, tijdens wat de lente van mijn zesde middelbaar had moeten zijn maar eigenlijk de vierde maand van mijn depressie was, vroeg mijn vader het toenmalige ‘PMS’ om een verslag van hun interventies, of met andere woorden: hij wou weten wat hun medewerker allemaal had uitgespookt.

Dat overigens zeer summiere rapport — amper één kant van A4-tje slordig volgeschreven — vermeldde een test ik die ik in het tweede middelbaar zou afgelegd hebben en waaruit ‘aanwijzingen voor moeilijkheden qua sociale aanpassing’ zouden gebleken zijn. Helaas was er geen copy van die test beschikbaar, en van mijn antwoorden of precieze resultaten ook al niet.

Vermoedelijk had dat wel iets te maken met het feit dat er helemaal geen test had plaatsgevonden.

Het zou niet hun laatste leugen zijn.

Maar terug naar het tweede middelbaar dus.

Terwijl ik er op school dagelijks van langs kreeg, bleven thuis, na de lesuren, de telefoontjes binnenlopen.

Uiteindelijk voelde ik me nergens meer veilig. Nachtrust was een vage herinnering geworden; nare dromen en gewoel en gepieker wisselden elkaar af.

Ik vluchtte in muziek, boeken en soaps. Ik wou steeds minder met de werkelijkheid te maken hebben, en met mensen al helemaal niets meer.

Schrijven bleef mijn grote uitlaatklep. Brieven, verhalen en dat jaar ook voor het eerst ‘bootleg’ recensies en andere artikels voor een Brits Kate Bush fanzine.

Als een suffe slak kroop de zomervakantie dichterbij.

De laatste beproeving van dat schooljaar was een wandeling naar een naburige stad, over de dijk langs de rivier.

Ik had dat traject in het verleden al een paar keer afgelegd, meestal met mijn ouders maar ook eens in de lagere school, als deel van een gesponsorde wandeltocht voor een goed doel.

Aan elk van die vroegere wandelingen hield ik goede herinneringen over. Aan die van in het tweede middelbaar alleen verdriet en schaamte.

Marlien, Trees en Sien wandelden vlak achter mij en samen met nog een paar andere meisjes maakten ze de hele tijd gemene opmerkingen over mijn ‘onnatuurlijk witte benen’, mijn haarkleur, en nog duizend-en-één andere dingen. Ook was de opmerking “Oei oei, ze heeft geen sjaaltje aan, dat ze maar oplet dat ze weer niet ziek wordt!” blijkbaar zo hilarisch dat die minstens tien keer herhaald moest worden.

Van dat incident — of beter gezegd: die Walk Of Shame — was een leerkracht trouwens getuige, maar wederom werd er besloten om niets te ondernemen.

Eindelijk brak de broodnodige vakantie aan. Ze werd weliswaar overschaduwd door een inhaal-taak voor Latijn — mijn vele afwezigheden wegens ziekte en mijn sterk verminderd concentratievermogen hadden me een flinke achterstand bezorgd.

Maar twee maarden rust stonden hoe dan ook voor de deur en misschien, zo vertelde men mij, zou alles daarna wel weer wat beter gaan.

Helaas was ik al lang niet meer naïef genoeg om in een dergelijk ‘struisvogel-optimisme’ te geloven.

*

Nota Bene: Alle namen van de betrokken partijen zijn veranderd om de onschuldigen, helaas ook de schuldigen, maar vooral mezelf te beschermen. Enige overeenkomst tussen mijn toenmalige agressors en mensen met een naam die hier vermeld wordt is louter toevallig en geen weerspiegeling van de realiteit.

De briesjes voor de storm

Toen ik destijds ‘Goede Bedoelingen’ schreef, heb ik mijn eerste jaar middelbare school amper vermeld. De echte hel zou immers pas in het daaropvolgende jaar losbarsten en zoals ik eerder ook al zei, ik wou alles, of toch de rotste ervaringen, er vooral zo vlug mogelijk uitgooien zonder al te veel in detail te treden.

Vermoedelijk gaf ik zo de indruk dat het eerste jaar quasi vlekkeloos, zonder pijnlijke incidenten, verliep.

Helaas lag de werkelijkheid anders.

Mijn avontuur op ‘De Grote School’ begon nochtans veelbelovend.

De eerste dagen van september waren tof, spannend en leerrijk; een schone lei, precies zoals ik had gehoopt. Ik maakte ook vlot een paar nieuwe vriendinnen. Alles leek heel even weer zoals vroeger, zoals in de zorgeloze tijd vóór dat ellendige zesde leerjaar.

Misschien dat ik daardoor niet meteen merkte dat enkele meisjes die me in het zesde, uit vrees voor represailles van die vreselijke lerares, plots hadden laten links liggen me op de nieuwe school bleven mijden.

Een andere klasgenote, zo zou ik later vernemen, was volop aan het roddelen geslagen; over mijn familie in het algemeen, en het gewicht en de Engelse ‘roots’ van mijn moeder in het bijzonder.

Haar gedrag was extra pijnlijk (en ook wel vrij bizar) omdat zij en ik mekaar al heel lang kenden. We woonden in dezelfde straat en waren, of zo geloofde ik toen nog, toch altijd goede vriendinnen geweest.

Me nog van geen kwaad bewust, smeedde ik enthousiast studieplannen. Latijnse met een paar extra taalvakken zou het worden. Ik koos ook twee hobby-activiteiten voor vrijdagnamiddag: ‘Denksport’ en ‘Nederlandse Expressie’.

De uurtjes ‘Denksport’ leerden me vooral dat leerkrachten slechte verliezers zijn als een twaalfjarig meisje hen telkens weer schaakmat zet en wat ‘Nederlandse Expressie’ betreft…

Waarschijnlijk zou niemand die me vandaag kent geloven dat ik ooit met veel plezier toneel speelde, teksten en gedichten voordroeg of zelfs voor een volle kerk stond te zingen.

Buiten de schooluren, maakte ik toen nog deel uit van een zangkoor.

Ook daar begon het echter fout te lopen.

Een viertal oudere meisjes, vijftien- en zestienjarigen, en ook een ex-klasgenote uit het zesde leerjaar lachten me uit. Omdat ik erg bleek zag. Omdat ik lang haar had. Omdat ik veel roze droeg. En zo zullen er ongetwijfeld nog wel duizend-en-één andere redenen geweest zijn…. Dat dieronvriendelijke gezegde van die stok om die hond mee te slaan, weet u wel.

Het zal geen verrassing zijn dat ik me steeds slechter voelde in die groep. Gevoelens van zelftwijfel en zelfhaat maakten zich van mij meester, elke dag een beetje heftiger…

Uiteindelijk ben ik dan maar uit dat zangkoor gestapt. Vertrokken met de stille trom, zoals dat heet. Gewoon nooit meer opgedaagd, dus.

“Teveel schooltaken,” antwoordde ik toen de verantwoordelijke me een keer thuis opbelde. Een plausible, onschuldige leugen was eenvoudiger en vooral heel wat minder gênant dan de pijnlijke, ontnuchterende waarheid.

Ik denk dat het ook in die periode moet geweest zijn dat ik me voor mezelf begon te schamen. Het kon niet anders dan er was iets grondig mis met mij. Waarom zou ik anders zoveel spot, misprijzen en haat opwekken bij anderen, zelfs bij diegenen die me amper kenden?

Op school ondertussen, was de zeepbel van mijn korstondig geluk ook doorprikt.

Op de laatste schooldag van de tweede week van september schopte een klasgenoot, zomaar voor de lol, mijn boekentas stuk.

Ik herinner me nog heel goed hoe mijn grootvader diezelfde avond, vloekend over brutale snotapen en hun volslagen gebrek aan opvoeding en respect, nog snel naar de winkel reed om een nieuwe te kopen.

Het zou niet bij een vernielde boekentas blijven.

Twee tekenblokken werden leeggescheurd (misschien door dezelfde onverlaat, misschien ook niet). Een dure vulpen verdween. De blokfluit die ik nodig had voor de lessen muziek was geregeld spoorloos — om dan de volgende dag plots weer op te duiken in mijn lessenaar.

En dan kwamen de telefoontjes. Altijd na een schooldag. Meestal tussen half vijf en zes. Nooit wanneer mijn ouders thuis waren.

Wie het ook was (in die tijd was er nog geen sprake van Caller ID en aanverwante, althans niet voor doodgewone burgers), zei geen woord, haakte na een paar seconden weer in, en bleef hardnekkig terugbellen. Dag na dag. Week na week.

Soms waren er periodes dat er niet gebeld werd (tijdens de vakantie, een willekeurige week hier en daar…) maar echt ophouden deed het nooit.

Pas zes jaar later, toen ik al een hele tijd thuis zat met een zware depressie en zowel een antwoordapparaat als de politie ingeschakeld waren, is het bellen gestopt. Tot op heden, blijft de identiteit van de dader of daders een compleet raadsel.

Wat ik wel weet, is dat het hele gedoe me een levenslange afkeer, misschien zelfs een soort fobie, voor telefoneren heeft bezorgd. Hier en nu kennen maar een handvol mensen mijn telefoonnummer en iemand die ik niet heel goed ken zal ik zeker nooit zelf opbellen.

Mijn twaaljarige ik begreep er hoe dan ook niets van. Op school probeerde ik me zo normaal mogelijk te gedragen, te doen alsof er niets aan de hand was. Dat was ook het advies dat ik meekreeg van mijn grootmoeder: laat vooral niet merken dat ze je kunnen kwetsen.

Maar kwetsen konden ze me dus en dat deden ze dan ook en bleven ze doen op verschillende fronten.

Zelfs de lunchpauze was een beproeving.

Mijn moeders gewicht was het mikpunt van spot. Mijn ooit-nog-beste-vriendin-geweest had commentaar op alles wat ik at. Ze verzekerde me, tot groot jolijt van de anderen aan tafel, dat ik later zeker ook heel zwaar zou zijn.

Ik herinner me niet meer wanneer ik precies besloot om ‘s middags heen en weer naar huis te fietsen om daar mijn lunch op te eten zonder gemene opmerkingen, en om even te kunnen ontsnappen aan die vijandige schoolomgeving, maar de directe aanleiding kan ik me wel nog erg levendig voor de geest halen.

Iets anders dat me ook is bijgebleven van mijn eerste middelbaar is dat ik geregeld ziek was: drie zware keelontstekingen en een ferme griep. Ook had ik vaak last van buikkrampen, opgezette klieren in mijn nek en deden mijn handen en polsen geregeld pijn.

Bij mijn toenmalige huisarts vond ik geen begrip en al helemaal geen hulp. Wel werd me, onder andere, verteld dat ik alles veel te ernstig nam en nooit een vent zou vinden zo.

Als je prioriteiten maar goed zitten, niet waar?

Dat jaar vond ook mijn eerste confrontatie met Sus Lomens — leerlingenbegeleider van wat toen nog ‘het PMS’ heette — plaats. Het was een kort gesprek over joboriëntatie en studierichtingen.

Of ik de Latijnse wel aan zou kunnen met al mijn afwezigheden, meer bepaald.

Als mijn omgeving me niet telkens weer zou ziek maken was die opmerking niet nodig geweest. Anders trouwens ook niet; of insinueerde hij misschien dat ik mijn gezondheidsproblemen geveinsd had?

Ik gaf echter geen wederwoord. Dat zou onbeleefd en ongepast geweest zijn.

Ik kreeg wel een brief mee naar huis. Wat er exact instond, weet ik niet, heb ik vermoedelijk nooit geweten. Mijn ouders hebben eens het hoofd geschud, dat schrijven zonder commentaar in een map geklasseerd en er verder nooit meer over gesproken. Wat Lomens ook beweerd had, zij kenden mij wel beter, waarschijnlijk.

Ondertussen begon ik me steeds meer af te zonderen. Het enige waar ik nog graag voor buiten kwam waren de wekelijkse bezoekjes aan de plaatselijke platenwinkel.

Muziek was heel belangrijk geworden voor mij. Ik luisterde vooral naar Kate Bush (nog iets waar ik later voor uitgelachen zou worden, trouwens), Madonna, Samantha Fox en Bananarama. Op dat vlak is er dus niet zoveel veranderd…

In die periode wisselde ik ook veel brieven uit met allerlei pennenvriend(inn)en. Die leeftijdsgenootjes-op-papier aanvaardden me tenminste zoals ik was en konden me ook geen pijn doen. Deden ze dat toch, dan kon ik gewoon ophouden met hen te schrijven.

Schrijven werd in die periode trouwens ook op andere vlakken een vluchtroute.

Ik begon ook verhalen neer te pennen. Toegegeven, ze waren niet veel zaaks, samenraapsels van weinig realistische pulp gebaseerd op de vele soaps waar ik naar keek. Maar ze lieten me toe even te ontsnappen uit de werkelijkheid die elke dag afschuwelijker werd.

Zoals het jaar ervoor, was de grote vakantie een enorme opluchting. Ook hetzelfde was de reisbestemming: een gezellige ‘Inn’ in Ludlow.

Toen we een paar dagen ter plekke waren, merkte Jonathan, één van de hoteleigenaars, discreet tegen mijn moeder op dat ik veranderd was, stiller en plots zo verlegen geworden, bijna bang, zo leek het wel, in mijn omgang met mensen.

Het vrolijke, spontane meisje dat twee jaar daarvoor op een zonnige zomerdag van een paard was gevallen was nergens te bespeuren. Men zou haar ook nooit meer terugzien.

*

Nota Bene: Alle namen van de betrokken partijen zijn veranderd om de onschuldigen, helaas ook de schuldigen, maar vooral mezelf te beschermen. Enige overeenkomst tussen mijn toenmalige agressors en mensen met een naam die hier vermeld wordt is louter toevallig en geen weerspiegeling van de realiteit.

De oude koe, de gracht en de overbelaste snorfiets

Voor de echte ellende, de genadeloze lawine van emotioneel en psychisch geweld begon, was er het zesde leerjaar. We kunnen dat gerust de voorbode noemen.

Mensen die me vandaag kennen zullen het waarschijnlijk niet geloven, maar ooit was ik een enorm sociaal en zelfs behoorlijk extravert meisje.

Toegegeven, een grote babbelkous ben ik nooit geweest. Alleen-zijn kon ik altijd al waarderen en ik verslond boeken, soms meer dan tien per week.

Maar ik had ook een grote vriendenkring waar ik veel mee optrok: buitenspelen met vriendinnen, fietsen, rolschaatsen, een achternicht die regelmatig kwam logeren…

Toen was ik het zonnetje in huis, altijd vrolijk, erg spontaan en (misschien deels omdat ik mentaal ver vooruit was op mijn leeftijd) ik nam ook vaak de leiding, was zelfs een beetje een haantje-de-voorste.

In het zesde leerjaar veranderde dat alles voorgoed.

De zomer die vooraf ging was nochtans erg mooi geweest. Ik had een fijne vakantie beleefd in Engeland, twee weken Ross-On-Wye met mijn ouders.

Zelfs nu kan ik me dat verblijf levendig herinneren.

Er werden kasteelruïnes bezocht en lange wandelingen gemaakt. Naar gewoonte kochten we speelgoed, boeken en schrijfgerief bij WH Smith en Woolworths.

Ik had ook vriendschap gesloten met de dochter van de hoteleigenaars, een meisje van mijn leeftijd. Ze liet zich maar al te graag door ons op sleeptouw nemen terwijl haar ouders moesten werken, haar schoovriendinnen op reis waren en haar oudere broer zich enkel interesseerde voor arcade-spelletjes en flauwe Amerikaanse films.

Het waren dagen van groene velden, klaterende rivieren, gezellige winkelstraten, Sindy poppen, fleurige potpourri en paarden.

Op een zonnige middag gingen we paardrijden.

Misschien had ik dat beter niet gedaan. Misschien zag mijn leven er dan helemaal anders uit nu.

Hoe dan ook, ‘mijn’ paard ging op een bepaald moment onverwacht in gallop. Ik verloor mijn evenwicht en plofte tegen de vlakte.

Na de val deed mijn rechterarm vreselijk veel pijn, maar ik vond het niet erg genoeg om er een dokter bij te halen. Al dat gedoe hoefde niet voor mij, zeker niet op vakantie. Ik was gewoon lelijk ten val gekomen, zou ongetwijfeld binnen een dag of twee vol blauwe plekken staan, maar de pijn zou wel vanzelf verdwijnen.

Helaas, dat deed ze niet. Tien dagen later, terug op eigen bodem, werden er uiteindelijk röntgenfoto’s gemaakt.

Na bizarre taferelen in het ziekenhuis, waar ik aan zo’n tien verschillende dokters en verpleegkundigen mocht uitleggen hoe ik me had pijn gedaan (en aan sommigen van hen zelfs meer dan één keer!), kreeg ik te horen dat de arm gebroken was.

Het goede nieuws (tenminste, zo dacht ik er toen nog over) was dat de breuk helemaal bovenaan, vlak bij mijn schouder, zat. Een gipsverband was dus niet opportuun. Een draagdoek zou moeten volstaan. Dát en uiteraard de arm zoveel mogelijk te laten rusten.

Om me op te fleuren kreeg ik een grote tuil bloemen en mijn eerste walkman.

Op 1 september ging ik met mijn arm in een draagdoek naar school.

Daar gebeurde het ondenkbare, iets wat mijn logisch verstand nog steeds niet kan bevatten.

Mijn nieuwe lerares, die ik het beste kan omschrijven als een bazige, corpulente vrouw met een gemene grijns en al het pedagogische talent van een op hol geslagen bulldozer, lachte me vierkant uit.

Mijn rechterarm kon helemaal niet gebroken zijn, opperde ze, want er zat geen gips rond. Bovendien moest ik onmiddellijk ophouden met me zo aan te stellen — zo’n theater te verkopen — want die trucjes werkten bij haar niet, hoor!

Ik geloofde mijn eigen oren niet. Daarenboven werd ik ook nog eens verplicht om mijn gebroken arm toch te gebruiken, om te schrijven bijvoorveeld, want er was toch helemaal niets mis mee, “onnozel kind”.

Mijn ouders en grootouders waren sprakeloos en vooral ook erg boos toen ze vernamen hoe mijn eerste schooldag verlopen was.

In de week die volgde werden talloze pogingen ondernomen om mijn lerares te overtuigen dat ik wel degelijk een gebroken bot had, maar helaas… luisteren wou ze niet; niet naar mijn vader, niet naar mijn moeder, niet naar mijn grootvader, niet naar de huisarts…

Zelfs met de röntgenfoto’s voor haar neus bleef ze volhouden dat ik haar iets voorloog. Er zat immers geen gipsverband rond mijn arm en als een gipsverband aanbrengen inderdaad niet mogelijk was geweest omwille van de plaats van de breuk, zo meende zij, dan had een chirurg daar zeker wel een metalen plaat ingezet, want dat had men bij haar neef tenslotte ook gedaan.

Ik kreeg later ook nog van haar te horen dat ik die arm maar best kon blijven gebruiken want anders zou dat ‘een klein, slap armpje’ worden waarvan ik de rest van mijn leven last zou hebben.

Het is dat schooljaar nooit meer goedgekomen.

Zelfs toen de breuk uiteindelijk (en ondanks alle overbelasting) geheeld was, bleef ik kop van jut.

Geen gelegenheid liet ze ongemoeid om mij te bespotten en te kleineren. Gemene opmerkingen waren schering en inslag.

Toen ze te weten kwam dat ik als enige van de klas nog niet kon zwemmen, waarschuwde ze me dat dit tegen het einde van het schooljaar best zou veranderen. Zo niet, zou ze me gewoon van de kant plukken en in het diepe water smijten.

Dat jaar bracht ik veel bezoekjes aan mijn huisarts. Door alle stress en machteloosheid kampte ik met buikpijn en nachtmerries. De klieren in mijn hals waren ook regelmatig gezwollen.

Die dokter — om misverstanden te vermijden, het gaat hier niet over mijn huidige huisarts voor wie ik alleen maar lof heb; het betreft de dokter vóór hem — was jammer genoeg wel niet erg behulpzaam.

En er was nog meer.

Kinderen voelen, denk ik, wel aan dat bepaalde citaten of blikken van volwassenen bedreigend voor hen zijn of op een andere manier niet door de beugel kunnen, maar door gebrek aan levenservaring en ook wel woordenschat, kunnen ze dat niet altijd juist communiceren. Vaak zijn ze ook niet zeker van hun zaak, ze twijfelen of hetgene dat ze zelf als fout ervaren ook daadwerkelijk verkeerd is. Grensoverschrijdend gedrag is dikwijls subtiel, onderhuids…

Wat ik als twaalfjarig meisje van een vertrouwensarts te horen kreeg was dat echter niet. Integendeel, dat was extreem ongepast en rounduit ranzig : “Vraag aan je vader om je te leren zwemmen, dan kun je zijn penis ook nog eens zien.”

Zelfs nu bekruipt me een diep gevoel van walging en schaamte als ik terugdenk aan die uitspraak (die niet zijn eerste en zeker ook niet zijn laatste was waarbij ik me bezoedeld en tot in het diepst van mijn wezen vies voelde). Ik heb lang getwijfeld of ik ze überhaupt wel zou vermelden hier. Maar ik had me voorgenomen om (in de mate van het mogelijke) het hele verhaal te vertellen en dat zou niet kunnen zonder ook de smerige rol van mijn ex-huisarts te vermelden.

Op school, ondertussen, werd ik steeds stiller, trok me meer en meer terug. Ik deed ook niet langer de moeite om nog actief deel te nemen in de klas, mijn opgestoken hand werd toch genegeerd. Ik mocht enkel zichtbaar zijn wanneer ik als mikpunt van spot kon dienen.

Ondertussen begonnen mijn klasgenootjes, allemaal vriendinnen sinds de kleuterklas, me te mijden. Wie met mij omging, deelde immers in de klappen.

In één geval zelfs letterlijk. Zonder enige aanleiding, kreeg een klasgenote tijdens het uurtje Frans een harde slag in het gezicht.

Ik meen me te herinneren dat diens vader de volgende dag woedend naar het schoolhoofd is gestapt, maar het zou me verbazen moest dat iets hebben opgeleverd. Mensen in een positie als die lerares konden zich schijnbaar alles veroorloven.

Ik heb trouwens nooit begrepen wat ik haar in de weg had gelegd, waarom ze mij zo haatte. Ik heb wel een sterk vermoeden dat ze niet echt van kinderen hield. Ooit verkondigde ze voor de klas dat kleuters maar grote lastpakken waren en dat ze met ons, elf- en twaalfjarigen, toch een beetje een normaal gesprek kon voeren. Die woorden, eerder uitgespuwd dan gesproken, zijn me steeds bijgebleven.

Eindelijk was het dan 30 juni, het langverwachte einde van de lagere school voor mij.

Ik had een goed cijfer, maar niet het uitmuntende dat men van mij gewend was. Mijn schoolprestaties hadden zwaar geleden onder de vijandige sfeer, de dagelijkse stress en constante vernederingen.

Erg veel deerde me dat echter niet. De vrijheid lonkte. Het middelbaar ook. Ik was zo blij, zo ongelooflijk opgelucht, en keek halsreikend uit naar mijn nieuwe start op ‘de grote school’.

Ik kon niet voorzien dat de zomer die voor de deur stond de laatste van mijn jeugd was waarin ik zorgeloos en gewoon gelukkig zou mogen zijn.